Hulplijnen onderaan elke pagina
Schade door transitie — informeer, claim, herstel
In crisis?
Bel direct →
Op 30 juni 2026 publiceerde de Gezondheidsraad naast haar hoofdadvies "Transgenderzorg voor jongeren" een apart achtergronddocument: "Stoppen, spijt en detransitie". Het is zeventien pagina's lang, maar de belangrijkste conclusie past in één zin — die de commissie zelf ook zo formuleert: over detransitie bij jongeren die in Nederland een gendertransitie doormaakten, is vrijwel niets bekend. Niet omdat er niet naar gezocht is, maar omdat het domweg niet wordt gemeten.
Wat de Gezondheidsraad zelf rapporteert
De commissie doorzocht de literatuur op Nederlandse studies over stoppen met en spijt na behandeling met puberteitsremmers (GnRH-agonisten) en genderbevestigende hormonen bij minderjarigen. Ze vond er zeven — stuk voor stuk afkomstig uit dezelfde twee klinieken, Amsterdam UMC en Leiden, en deels overlappend in patiëntenpopulatie. Het percentage jongeren dat stopte met puberteitsremmers varieerde van 0 tot 3,5%, met hormoonbehandeling van 0 tot 2%. Dat klinkt geruststellend laag, tot je leest wat er in dezelfde alinea staat: "in de Nederlandse studies werd niet over detransitie gerapporteerd." Stoppen met medicatie en detransitie zijn twee verschillende dingen, en van dat tweede bestaat in Nederland schlicht geen cijfer.
Spijt: twee studies, en een lastige kanttekening
Nog schraler is het beeld rond spijt. Slechts twee Nederlandse studies rapporteerden daarover, en beide vonden 0% — een cijfer dat in de media en in voorlichting vaak klakkeloos wordt herhaald. Maar de Gezondheidsraad noteert zelf een cruciale beperking: één van die twee studies (Wiepjes e.a., 2018) onderzocht alleen spijt bij de subgroep die een operatie onderging, en dan nog uitsluitend spijt óver die operatie. Spijt van de hormoonbehandeling zelf — de stap die de meeste jongeren wél zetten en die het langst doorwerkt — is in Nederland dus nooit apart gemeten. We schreven eerder over hoe het veelgebruikte "minder dan 1%"-spijtcijfer op losse schroeven staat; dit rapport bevestigt dat probleem vanuit onverdachte hoek.
Waar blijven de patiënten na jaar vijf?
Een tweede probleem dat in de tabellen van het rapport verstopt zit, is uitval. In de grote Amsterdamse cohortstudie van Van der Loos e.a. (2022), die medicijnrecepten volgde als maat voor voortzetting van hormoonbehandeling, was na vijf jaar nog van 27,8% van de deelnemers data beschikbaar — na tien jaar nog maar 8,9%. Van de overgrote meerderheid van de mensen die als jongere zijn gestart, weet dus feitelijk niemand meer wat er op langere termijn met hen gebeurt: niet of ze doorgaan, niet of ze stoppen, niet of ze spijt hebben. Dat sluit aan bij een eerdere, bredere erkenning van de Gezondheidsraad zelf dat de effecten op vruchtbaarheid en cognitie onvoldoende zijn onderzocht.
Internationaal hetzelfde gat, met tegenstrijdige conclusies
De commissie keek ook naar vijf internationale systematische reviews. Die reviews trekken uiteenlopende conclusies uit vergelijkbaar mager materiaal: twee ervan concluderen dat het percentage spijt "laag" ligt, de andere drie benadrukken vooral dat het bewijs onvoldoende is en dat lange-termijn-onderzoek noodzakelijk is. Veelzeggend is de systematische review van Feigerlova (2025), die zich specifiek op detransitie richtte en concludeerde dat dit onderwerp "onvoldoende is onderzocht" bij personen die een genderbevestigende behandeling ondergaan, ongeacht het land. Opvallend is ook dat het Utah-rapport, gepresenteerd als wetenschappelijke review, eindigt met een expliciete beleidsaanbeveling tegen toegangsbeperkingen — een positiekeuze die niet uit de eigen cijfers volgt, maar die de auteurs er zelf aan toevoegen.
Het weerlegde 30%-cijfer
Het rapport ruimt ook op met een hardnekkige medialegende: het percentage van 30% dat regelmatig rondgaat als "stoppercentage". Dat getal komt uit een Amerikaanse studie onder kinderen en partners van militairen, die keek naar het al dan niet ophalen van voorgeschreven hormonen bij de apotheek — geen maat voor spijt of bewuste detransitie, en bovendien niet uitgesplitst naar minderjarigen. Mensen die zelf voor hun medicatie betaalden of via een andere weg aan hormonen kwamen, tellen in dat cijfer gewoon mee als "gestopt". Voor de vraag hoe vaak detransitie nu werkelijk voorkomt — tussen de 1% en 33%, al naar gelang de definitie — biedt dit Amerikaanse cijfer dus geen enkel houvast.
Wat dit betekent
De Gezondheidsraad presenteert zich als hoeder van de wetenschappelijke stand van zaken, en op dit punt doet ze dat eerlijk: ze benoemt zelf de leemtes. Maar diezelfde eerlijkheid staat in schril contrast met de geruststellende toon waarin het hoofdadvies "Transgenderzorg voor jongeren" naar buiten kwam — het beeld dat de Nederlandse aanpak zorgvuldig is ingericht. Zorgvuldigheid van een proces zegt niets over de uitkomst ervan, zeker niet als die uitkomst — detransitie, spijt op langere termijn — domweg niet wordt gevolgd. Wie na een puberteitsremmer en hormoonbehandeling uit beeld raakt bij de kliniek, verdwijnt ook uit de cijfers. Dat is geen bewijs dat het goed gaat. Het is afwezigheid van bewijs, en de Gezondheidsraad zegt dat nu zelf, zwart op wit.
Bronnen
Gezondheidsraad, "Stoppen, spijt en detransitie" — achtergronddocument bij "Transgenderzorg voor jongeren", publicatienr. 2026/12A2, Den Haag, 30 juni 2026: tweedekamer.nl.

Nienke Vogelaar
Redactie
Veelgestelde vragen
Wat is het verschil tussen 'stoppen' en 'detransitie' in dit rapport?
Stoppen betekent dat iemand de puberteitsremmers of hormonen niet langer gebruikt of ophaalt. Detransitie gaat over het bewust beëindigen van de transitie of terugkeren naar het bij geboorte toegekende geslacht. De Nederlandse studies meten alleen het eerste — over het tweede bestaat in Nederland geen cijfer, meldt de Gezondheidsraad zelf.
Hoeveel Nederlandse jongeren stoppen met puberteitsremmers of hormonen?
Tussen 0% en 3,5% stopte met puberteitsremmers en tussen 0% en 2% met hormonen, blijkt uit zeven Nederlandse studies — allemaal afkomstig uit Amsterdam UMC en Leiden, met deels overlappende patiëntengroepen.
Klopt het dat 30% van de mensen die een gendertransitie starten weer stopt?
Nee, zegt de Gezondheidsraad zelf. Dat cijfer komt uit een Amerikaanse studie naar het ophalen van medicatie bij militairengezinnen en zegt niets over spijt, detransitie of specifiek minderjarigen.