Hulplijnen onderaan elke pagina

Schade door transitie — informeer, claim, herstel

In crisis?

Bel direct →

Decennialang gold in de transgenderzorg een simpel getal: slechts één procent van de mensen die medisch transitioneren, zou daar ooit spijt van krijgen of weer terugkeren op hun stappen. Dat cijfer werd gebruikt om beleid te onderbouwen, om ouders gerust te stellen en om twijfel over medische transitie als marginaal af te doen. Twee onderzoekers die al jaren naar detransitie kijken, Kinnon Ross MacKinnon en Pablo Expósito-Campos, zetten in hun aankomende boek "Understanding Detransition" grote vraagtekens bij die ene procent. Niet vanuit een activistische hoek tegen transgenderzorg, maar vanuit hun eigen onderzoekspraktijk.

Een getal dat een heel beleidsveld stuurde

MacKinnon en Expósito-Campos leggen uit hoe die ene procent meer werd dan een uitkomstmaat: het cijfer ging het hele veld van genderzorg organiseren. Het gaf houvast aan mensen die twijfelden over hormonale of chirurgische stappen, het stelde ouders van jonge transgenderpersonen gerust en het bepaalde welke gevoelens na een transitie als "normaal" golden. Verhalen van mensen die wél spijt kregen of terugkwamen op hun transitie werden daardoor weggezet als een verwaarloosbare uitzondering, of erger, als bewuste desinformatie.

Sinds het einde van de jaren 2010 groeide echter een reeks aan getuigenissen die niet in dat plaatje pasten: verhalen van mensen wier genderidentiteit niet vaststond, van transities die het leven juist ingewikkelder maakten, en van medische ingrepen die niet de verlichting brachten die beloofd was. Precies die verhalen vormen de kern van wat de onderzoekers detransitie noemen.

Ruim duizend deelnemers in drie landen

Het boek van MacKinnon en Expósito-Campos bouwt voort op drie eigen onderzoeksprojecten: Re/DeTrans Canada, de DARE-studie en NORTASUN, uitgevoerd tussen 2021 en 2024. Samen verzamelden die studies data van 1.035 mensen in de Verenigde Staten, Canada en Spanje die op enig moment hun transitie hebben teruggedraaid of gestopt. Opvallend: bijna zeventig procent van hen had wel degelijk minstens één hormonale of chirurgische behandeling ondergaan voordat ze detransitioneerden. Dat weerlegt het beeld dat detransitie vooral zou gaan om mensen die nooit verder kwamen dan een sociale transitie.

De onderzoekers benadrukken dat harde cijfers alleen niet genoeg zijn. Ze citeren socioloog Arthur Frank, die stelt dat er na de methode altijd nog een verhaal moet komen. Daarom combineren zij hun cijfers met interviews en met de bredere geschiedenis van transgenderzorg, zonder de spanningen in dat veld glad te strijken.

Zelfs de definitie van "detransitie" staat niet vast

Een van de meest onthullende observaties in het werk van MacKinnon en Expósito-Campos is dat er in de wetenschappelijke literatuur nooit een eenduidige definitie van detransitie heeft bestaan. Klinieken gebruikten het woord "spijt" lange tijd voor uiteenlopende, vaak niet nader onderzochte uitkomsten. Naarmate detransitie zichtbaarder werd, ontstond een wirwar van nieuwe termen en omschrijvingen. Mensen met vergelijkbare ervaringen bleken volstrekt verschillend te worden beschreven, afhankelijk van wie er naar hen luisterde: een behandelaar, een onderzoeker of henzelf.

Die conceptuele onduidelijkheid is volgens de auteurs geen bijzaak, maar een kernonderdeel van het verhaal: het laat zien hoe kennis over gender tot stand komt onder invloed van identiteit, overtuiging en politieke strijd over wie er mag bepalen wat een "goede" of "foute" uitkomst is.

Waarom dit ook voor Nederland relevant is

Ook in de Nederlandse discussie over genderzorg wordt regelmatig naar het "één procent"-cijfer verwezen om te onderbouwen dat spijt en detransitie zeldzame uitzonderingen zijn. Het werk van MacKinnon en Expósito-Campos laat zien dat juist onderzoekers die zelf vanuit een transaffirmatieve invalshoek zijn begonnen, tot de conclusie komen dat dit cijfer de werkelijkheid ernstig versimpelt. Voor iedereen die genderzorg wil baseren op goede, actuele wetenschap in plaats van op een gestolde mythe, is dat een uitkomst die niet genegeerd kan worden.